Tussen de middelste tenen van mijn linkervoet ontwikkelde ik een eksteroog, zo dik als een meikever, zo groot als een euro. Als ik er aan peuterde deed het pijn, als ik er op liep ook. Hardlopen ging wel. Na een paar honderd meter trad er een spontane verdoving in werking. Ik wilde dat eksteroog weleens zien, maar dat viel niet mee. Ik kon mijn voet niet ver genoeg omhoog krijgen en mijn rug niet diep genoeg buigen om tussen mijn tenen te kijken. Ik legde een spiegel plat op de grond en hield mijn voet er boven. Daarvoor waren mijn ogen dus te slecht. Ik heb ook nog een opnametje van mijn tenen gemaakt  met de webcam van mijn Mac, maar dat werden onaangename foto’s van vaag mensenvlees. Ik heb ze gelijk weggegooid en ook de prullenbak van mijn computer heb ik leeggemaakt.
Op een dag  werkte de spontane verdoving niet meer. Pijn dus bij elke stap. Toen vond ik de tijd rijp om naar een pedicure te gaan. Ze zat ergens in een huisje aan het spoor en ze sabbelde op een appelsteeltje toen ze me opendeed. Ze had lang grijs haar en een littekentje op haar wang, dat haar iets charmants gaf.
Mij groette ze met een knikje, maar tegen mijn voeten was ze enthousiast. ‘Hallo jongens’, zei ze, toen ik mijn sokken uittrok en ze mijn voeten kon zien.
Ze spreiddde een zacht gewatteerd zeiltje op haar schoot. Daar mochten mijn voeten op. Zij  nam mijn tenen in haar handen en ging ze één voor één langs, zoals je de vingers of teentjes van een tweejarige telt. Ze plukte pluisjes van mijn sokken weg en drukte eens op mijn eksteroog.
‘Heel goed’, zei ze.
‘Wat is heel goed’, vroeg ik.
‘O niets’, zei ze. ‘Het gaat om je voeten.’

Ze opende een laatje, pakte een vijltje en begon mijn tenen te schaven. Ik had verwacht dat het pijn zou doen, maar ik voelde alleen een lichte kriebel. Er rolden vlokjes eelt op haar schoot en ze neuriede zacht. Af en toe veegde ze het eelt van haar zeiltje in een metalen bekken. Een maal hoorde ik iets met een harde tik in het bekken vallen.
‘Was dat mijn eksteroog’, vroeg ik.
‘Nee, het puntje van mijn vijl’, zei de pedicure.
Zo schaafde zij een poosje door, eerst mijn linker- toen mijn rechtervoet. Toen ze klaar was, klopte zij met haar handen in de bal van mijn voeten. Ze zei nog net niet ‘braaf’. Ik trok mijn sokken en schoenen weer aan en kwam overeind. Ik ging van mijn ene voet op mijn andere voet staan. Het voelde heerlijk, verlicht, als nieuw. Anders kan ik het niet zeggen.
De pedicure schudde met het bekken alsof het een pan kruimige aardappeltjes was en de vlokken eelt dansten op en neer.  Ze keek er tevreden naar. Ik zou bijna vertederd zeggen.
‘Ik zie die voeten van jou graag nog eens terug’, zei ze.
Thuis voelde ik voorzichtig aan mijn eeltloze tenen. Ze leken mij ineens zo jong. Ik bukte me nog een keer tevergeefs, ik klungelde nog wat met de spiegel op de grond. De webcam liet ik maar achterwege. Ik heb het eksteroog voor de behandeling nooit gezien en ik kon nu ook niet zien waar het gezeten zat, al wilde ik dat nog zo graag. Het was zeker niet voor mijn ogen bestemd. Ik dacht nog een poosje aan de blik waarmee de pedicure naar mijn voeten gekeken had en hoe koeltjes ze mij 20 euro in rekening had gebracht en ik begreep dat het tussen haar en mijn voeten ging. Ik speelde zelf geen enkele rol.

(MDH)